Een ware burger-hausse trekt door Nederland. De overheid, wetenschappers en opiniemakers steken de loftrompet over participatie, eigen kracht en doe-het-zelven. Maar wie zijn die burgers eigenlijk waarop zij een beroep doen? En hoe solidair is deze nieuwe samenleving nog?

Door Menno van der Veen & Jan Willem Duyvendak beeld Milo

De Groene Amsterdammer, 16 juli 2014

De ommekeer. In 2011 schreef het damesblad Linda dat het woord burgerlijk bij de meeste lezeressen geen negatieve associaties meer opriep. Lezeressen maakten wel een onderscheid tussen (fout) ‘oud-burgerlijk’ (man en vrouw dragen zelfde sweater, meubelboulevard) en (goed) ‘nieuw-burgerlijk’ (bakfiets, prosecco drinken met vriendinnen). Burgerlijkheid, zo ontdekte Linda, staat niet meer voor het bekrompen denken van met aardappels en Calvé-pindakaas gewapende Alicante-gangers in trainingspak, maar voor een nieuwe stedelijke levensstijl. De herwaardering van burgerlijkheid gaat hand in hand met de wederopstanding van de burger. Was vroeger het woord burger iets om te verafschuwen, omdat het zo deed denken aan burgerlijkheid, daar zijn de nieuw-burgerlijke ‘bakfietsers’ nu trotse, actieve burgers.

Maken we een burger-hausse mee? Het lijkt erop. Burgers zijn de Haarlemmerolie van de participatiesamenleving. Overheden, met hun afnemende budgetten en liberale bestuursfilosofieën, geven taken uit handen en dragen verantwoordelijkheden over aan burgers. Of die burgers daar ook op zitten te wachten, is vaak nog maar de vraag. ‘Burger gezocht’ zou de boventitel kunnen zijn van de tientallen speeches die wethouders in het land dagelijks uitspreken waarin ze proberen om voorzieningen als buurthuizen en groen in de wijk over te dragen aan hun inwoners. En niet alleen overheden zetten hun geld op de burger, ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en opiniemakers zoals Jos van der Lans en Nico de Boer (onder meer in dit weekblad) pleiten al jaren voor het overdragen van verantwoordelijkheden aan burgers en hun de ruimte te laten om ‘het’ zelf te doen.

De term burger wordt in deze context steevast positief gebruikt, nooit wordt ‘de burger’ geproblematiseerd. De burger roept associaties op met die andere menssoorten die altijd gelijk hebben: de kiezer en de klant. Burgers zijn intelligente, verantwoordelijke en capabele mensen, die met een positieve attitude en vol gezonde gemeenschapszin werken en samenleven. Wie vraagtekens plaatst bij de vraag of dat soort mensen wel in groten getale voorhanden is – zijn Henk en Ingrid, waarmee de pvv campagne voerde, ook burgers? – wordt al snel beschuldigd van ‘oud-denken’ of, nog erger, een neerbuigende ‘top-down’-houding.

En toch is er wel een aantal goede redenen om vraagtekens te zetten bij de burger-hausse. Zij creëert een wel erg scherpe, en kunstmatige, tegenstelling tussen burgers-als-vrijwilligers (goed) en professionals (fout); zij sluit vooral aan bij bepaalde, hoogopgeleide en mondige burgers die vaak in homogene wijken wonen. De burgertrend heeft veel te weinig oog voor diversiteit en verdeeldheid onder burgers.

***

In een veelbesproken monografie uit 2002 beschreef Herman van Gunsteren burgerschap als een opdracht. Hij wilde zo positieve inhoud geven aan een begrip dat synoniem leek te zijn geworden met het opkomen voor eigen belangen en zienswijzen van de naoorlogse generatie (de al te mondige en calculerende burgers). Burgers zijn volgens Van Gunsteren mensen die niet alleen rechten hebben, we mogen ook het een en ander van ze verwachten. Misschien dat het vervullen van militaire plichten achterhaald is, maar je mag wel van de burger vragen dat hij inspanningen verricht die bijdragen aan collectieve belangen en goederen. Het invoeren van een sociale dienstplicht lijkt bijvoorbeeld niet in strijd met de zienswijze van Van Gunsteren.

Wat vooral beklijft van dit betoog is de gedachte dat burgers niet spontaan ontstaan, maar moeten worden opgevoed (om niet te zeggen gecreëerd). Burgers zijn, om met Menno Hurenkamp en Evelien Tonkens te spreken, niet ‘onbevlekt’. Mensen worden niet als ‘actieve burgers’ geboren maar worden zo ‘gemaakt’ (of niet), afhankelijk van de groep(en) waarin ze opgroeien, de instituties waarmee ze maken krijgen en de ervaringen die ze opdoen in de alledaagse omgang met anderen. Daarnaast zijn burgers ook ‘producenten’ van die alledaagse omgeving. Mensen willen zich graag de (co-)producent van hun omgeving voelen, pas dan ervaren zij hun leefwereld als thuis.

Die ervaring van thuis, als een plek waar iemand zelf greep op heeft, hoeft niet in de ruimtelijke nabijheid te worden opgedaan. Die plekken kunnen variëren van het Facebook-profiel tot de moes- of kantoortuin. Met andere woorden: mensen verschillen niet alleen in hun vaardigheden en behoeften om actief burger te zijn, wáár ze dat willen zijn loopt ook sterk uiteen. De rijksoverheid die de burger vraagt om bij te dragen aan de zorg voor naasten, de gemeenten die burgers vragen om de zorg voor groenvoorzieningen en buurthuizen over te nemen, en de pleitbezorgers van ‘vertrouwen in de burger’ gaan uit van ‘nabijheidsdenken’: fysieke nabijheid zou sociale nabijheid met zich (moeten) meebrengen. Dat is echter zeer de vraag.

In een hypermobiele samenleving onderhouden steeds meer burgers contacten en emotionele banden met mensen ver weg. Bovendien leiden mobiliteit en migratie tot zeer gemengde wijken in Nederland, niet direct een context waarin mensen sterke bindingen in hun directe omgeving aangaan. Politici zouden zich veel serieuzer de vraag moeten stellen: wie zijn die burgers op wie wij een beroep doen en hoe, in welke hoedanigheid, spreken we hen aan? En wetenschappers en journalisten zouden zich wel wat kritischer mogen opstellen tegenover de ideologische lading die het antwoord op die vragen al snel krijgt. Naar welke burger is de overheid op zoek? En, minstens zo belangrijk: wat heeft de overheid bij die burgers te zoeken?

In een artikel uit 2013 beschrijft de Italiaanse wetenschapper Simona Milio diverse ruimtelijke projecten in Europese steden waarin burgers door de overheid worden uitgenodigd om gebieden te co-produceren. In feite, stelt zij, is co-productie in de meeste gevallen niets anders dan een nieuwe machtstechniek (technicality). De burger mag meedoen, zolang hij binnen de lijntjes kleurt, en hij kleurt binnen de lijntjes omdat de overheid steeds verder achter de voordeur binnendringt en daar zelfs het denken van mensen over de toekomst van hun stad weet te beheersen. Burgers zijn in deze voorstelling geen vrijdenkende, creatieve mensen, maar marionetten waarvan gedrag en denkwijze door de overheid worden beheerst. Co-produceren betekent dan dat burgers op daartoe aangewezen plekken de kleur van een gevel mogen bepalen. Niet dat zij zich de vraag mogen stellen of op die plek wel een gebouw hoort.

Hetzelfde paternalisme zien we in de zorg terug als het gaat om de vraag wat burgers in de ogen van de overheid voor elkaar moeten doen. De overheid definieert jaarlijks wat ‘gebruikelijke zorg’ is: zorg die mensen verondersteld worden aan elkaar te verlenen voordat zij een beroep mogen doen op publiek-gefinancierde zorg. De term ‘gebruikelijke zorg’ suggereert dat er sprake is van een maatstaf die bepaald wordt door wat gangbaar is in de samenleving: wat Nederlanders voor elkaar doen. In werkelijkheid beslist de overheid over wat de ‘normaalnorm’ is. In tijden van bezuiniging rekt de overheid de norm voor gebruikelijke zorg verder op: we worden geacht steeds meer voor elkaar te doen. De norm is dus niet ‘spiegelend’, integendeel, de overheid loopt voorop. Zij stelt de norm voor gebruikelijke zorg vast en wij moeten als ‘gehoorzame burgers’ daaraan voldoen. Bovendien wordt de norm steeds omvattender en gedetailleerder: had de overheid een paar jaar geleden nog genoeg aan achthonderd woorden om die norm te beschrijven, in de laatste omschrijving heeft ze meer dan 2500 woorden nodig!

Burgers die het buurthuis als goedkope kroeg met asbakken op tafel inrichten, worden al snel als asociaal aangemerkt

***

Deze waarnemingen werpen een ander licht op het ‘doe-het-zelf-en-participatie-hosanna’ van veel overheden. Dat doe-het-zelven is blijkbaar alleen gewenst op daartoe aangewezen plekken en de overheid bepaalt grotendeels wat we daar met en voor elkaar moeten doen. Bovendien wordt de vraag of burgers succesvol actief zijn pas met ja beantwoord als burgers hetzelfde creëren als wat voorheen door professionals werd gedaan. Burgers ‘mogen’ bijvoorbeeld binnenkort in Amsterdam projecten uit de buurtbegroting uitvoeren. Ze ‘mogen’ het beheer van sociale voorzieningen overnemen. Zolang de uitkomst maar langs de meetlat van de beleidsdoelen van minister of wethouder kan worden gelegd heet het een succes te zijn.

Zo horen buurtondernemingen vooral groepsactiviteiten voor jeugd en bejaarden te organiseren. Burgers die het buurthuis als goedkope kroeg met asbakken op tafel inrichten, van een speeltuin een hondenuitlaatplek maken of het zorgbudget aanwenden voor Thaise massages worden al snel als asociaal aangemerkt. En burgers die het buurthuis voor religieuze bijeenkomsten willen gebruiken, de groene zone als seksuele ontmoetingsplaats willen inrichten en van het zorgbudget een alternatieve geneespraktijk beginnen, vormen al snel een bedreiging voor ‘de gemeenschap’. De overheid bepaalt welke activiteiten ‘passend’ zijn.

Een project waar bestuurlijke wens en burgerlijke realiteit minder passend waren, is buurtmunt Makkie. Doel van het project was om bewoners een aantal buurtmunten te geven die ze konden vermeerderen door klussen te doen, zoals het helpen van een gehandicapte buurman, voorlezen van kinderen met een taalachterstand of het schoonmaken van het gemeenschappelijke trappenhuis. In de praktijk bleek het nauwelijks mogelijk om interessante verzilverpunten (omwisselgelegenheden) voor de munt te creëren. Makkies konden bijvoorbeeld worden ingeruild voor schaaklessen voor kinderen, huiswerkbegeleiding, gratis toegang tot de schaatsbaan et cetera. Tijdens een avond die we als waarnemer bezochten, bleek dat de professionals ermee worstelden dat ze nu Makkies moesten vragen voor zaken die ze toch al (bijna) gratis aanboden en dat het handjevol aanwezige Makkie-gebruikers niet wist hoe ze de munt tot een interessant buurtbetaalmiddel konden maken.

Onze suggestie om de Makkie ook in te zetten voor korting op een vliegreis naar Turkije of een bezoek aan de beautysalon bleek niet goed te passen bij het project. Het doel was vooral dat de Makkie-verdiener nadat hij het trappenhuis had schoongemaakt, boodschappen had gedaan voor zijn gehandicapte buurman en kinderen met een taalachterstand had voorgelezen, zijn Makkies inwisselde voor korting op museumbezoek, en daarna nog een verantwoorde yogasessie bij Buurtfit. Met andere woorden: eerst draagt de Makkie-gebruiker bij aan de verwezenlijking van de sociale beleidsdoelen in zijn buurt om zich daarna te voegen naar de culture en leefstijldoelstellingen die de gemeente zich gesteld heeft. Dit alles onder het motto ‘burgers-doen-het-zelf’.

In feite heeft de overheid geen oog voor de grote variatie onder burgers. Van actieve burgers wordt verwacht dat zij blij en vrolijk meedoen met activiteiten die de overheid voor hen geschikt acht: ze moeten hun al te particuliere identiteiten afleggen, zodat ze met hun buurtgenoten ‘gezellig’ kunnen werken aan sociale cohesie. Wie van burgers onbevlekte marionetten maakt die niets liever willen dan ‘zelf’ doen wat de overheid van hen vraagt, lijkt geen professionals meer nodig te hebben. Die zijn dan maar een sta-in-de-weg. Wie burgers echter ziet als volle persoonlijkheden die hun omgeving willen vormgeven en daarbij hun cultuur, hun overtuigingen en hun emoties meenemen, ziet professionals als noodzakelijke mediators tussen individuele belangen en groepsbelangen, tussen individuele ervaringen en collectieve ambities.

***

Deze nieuwe burgerlijken willen graag de kans krijgen om hun eigen huis te bouwen, zonder dat de gemeente welstandseisen oplegt

Terug naar de prosecco drinkende, bakfietsende burgers van het tijdschrift Linda.

Deze nieuwe burgerlijken willen graag de kans krijgen om hun eigen huis te bouwen, zonder dat de gemeente welstandseisen oplegt. Ze willen de kans krijgen om de zorg voor hun zieke ouders zelf te organiseren, ze willen met een aantal ouders een school beginnen waar naschoolse opvang wordt georganiseerd. Ze beginnen een energiecoöperatie. Deze nieuwe burgerlijken eisen ruimte op om meer zelf te doen en krijgen die ook. Dit zijn, bij benadering, de burgers die de overheid in haar hoofd heeft wanneer ze nadenkt over de overheveling van verantwoordelijk­heden. Onder verwijzing naar deze bakfietsende actieve burger wordt op dit moment de grootste ambtelijke reorganisatie voltrokken die we ooit hebben meegemaakt en worden duizenden professionals in de zorg ontslagen. Afnemende budgetten spelen daarbij zeker een rol, maar het is vooral het geloof in het verhaal dat het beter is als mensen ‘het’ zelf doen dat deze golf van aversie tegen professionals verklaart.

Tegenover de nieuwe burgerlijken wonen natuurlijk degenen die geen prosecco drinken, geen bakfiets hebben en niet in een zelfbouw­woning wonen. Hun speelt niet alleen parten dat ze minder kapitaalkrachtig zijn, maar ook dat ze minder ‘cultureel en bureaucratisch geletterd’ zijn. Een onderzoek van de sev (inmiddels opgegaan in Platform31) beschreef dat inwoners van een wijk in Delft niet begrepen dat de gezellige buurtdag voor kinderen en planten in feite een startdag was om ‘het groen’ in handen te geven van de buurt. Daar hadden de bewoners niet alleen niet op gerekend, ze hadden er ook weinig zin in, al was het maar omdat ze dringender zaken aan hun hoofd hadden. De overheid had echter bedacht dat ‘het’ beter was voor ‘de’ buurt om voortaan zelf de groenvoorziening te beheren.

Hoe moet het dan wel? In Delft hadden professionals moeten beginnen met de vraag welke publieke voorziening welke bewoners eventueel zouden willen overnemen en om welke redenen. In het Makkie-project hadden professionals zich de vraag moeten stellen welke verzilvermogelijkheden de munt voor de buurt en haar bewoners mogelijk interessant zou maken. De professional als bemiddelaar helpt mensen om hun weg te vinden, naar elkaar, naar allerhande organisaties, en soms naar de overheid die hen, als het goed is, helpt om hun éigen doelen te verwezenlijken (in plaats van dat burgers door de overheid gedefinieerde taken braaf uitvoeren). Het is eigenlijk heel ironisch: de overheid heeft nog nooit zo veel vertrouwen gehad in burgers die doen wat de overheid wil.

Dat moet dus anders. Professionals moeten geen slaafse uitvoerders zijn van overheidsbeleid – een groot risico dat opdoemt nu met de decentralisatie de greep van de lokale overheid op middenveldorganisaties verder toeneemt. Professionals moeten juist bemiddelen tussen burgers (met hun uiteenlopende wensen, belangen, emoties en ervaringen) en een buffer vormen tussen overheid en burgers. En professionals zouden daarnaast nog meer moeten zijn dan dat. Er zijn honderdduizenden Nederlanders die niet zozeer behoefte hebben aan een intermediair als wel aan directe zorg omdat zij niet (volledig) op eigen benen kunnen staan.

Bij hen wringt de burger-hausse nog het meest. Onder het vrolijke mom van ‘eigen kracht’ moeten zij zichzelf voortaan zelfstandig zien te redden: geen dagbesteding meer, veel minder begeleiding, met als resultaat veel meer eenzaamheid. Politici die suggereren dat deze mensen in hun eigen kring op zoek moeten naar meer sociale contacten hebben geen idee hoe dun die contacten gezaaid zijn en hoe belangrijk professionals zijn voor enige amicaliteit. Zijn zien burgerschap als de keuze om datgene te doen wat overheid en omgeving van je verwachten, en verklaren degenen die dat niet doen tot profiteurs.

Luie mensen die zich afhankelijk opstellen van de overheid zijn wij in onze onderzoeken echter nauwelijks tegengekomen. De meeste mensen schamen zich ervoor om afhankelijk te zijn van een uitkering en hebben zich het verhaal dat zij veel meer zelf moeten doen al lang eigen gemaakt. Sterker nog, de meesten durven nauwelijks meer om hulp te vragen. In die situatie hameren op hun eigen kracht is pijnlijk: het vergroot de ‘vraagverlegenheid’ en daarmee het isolement. Vaak kunnen hulpbehoevende mensen namelijk niet goed voor zichzelf zorgen en weten ze niet hoe ze de dag door moeten komen, terwijl ze geen zorg van hun kinderen of naasten –als die er al zijn – kunnen of willen vragen. Ze zijn dolblij met de dagelijkse contacten met de thuiszorg en met andere professionals die naar hen omkijken. Wie dat afschaft onder het mom van eigen kracht laadt een enorme verantwoordelijkheid op zich voor vereenzaming.

Het eigen kracht-idioom is te ideologisch geladen en wekt ten onrechte de indruk dat die kracht in ieders omgeving ruimschoots voorhanden is en alleen maar hoeft te worden aangeboord. Bij mensen die oud en eenzaam zijn en bij mensen die een opeenstapeling van sociale problemen ervaren, is het eigen kracht-verhaal ongepast. Het punt is nu juist dat zij ofwel een heel zwak sociaal netwerk hebben, ofwel in een veel te sterk, beklemmend netwerk vastzitten waar ze nodig uit moeten, omdat het deprimerend, eenkennig, gewelddadig of anderzins belemmerend is.

***

De bakfietsburger heeft een sterk netwerk – met daarin opvallend weinig zwakke burgers. Het zou mooi zijn als die bakfietsburgers meer zouden omkijken naar burgers die het minder voor de wind gaat, maar het kenmerk van sterke netwerken is nu eenmaal dat die relatief homogeen van karakter zijn. Daarom zijn nu juist de sociale professionals ‘uitgevonden’: zij bieden aan mensen die het minder hebben getroffen de bescherming en de steun die ze nodig hebben, en dat op kosten van degenen die het in het leven goed gaat. Die vorm van solidariteit staat sterk onder druk als burgerschap de plicht met zich meebrengt om zo min mogelijk beroep te doen op sociale voorzieningen.

De bakfietsburgers beginnen met capabele soortgenoten hun eigen voorzieningen en zijn enthousiast over het eigen kracht-denken, dat is toch ook wat zij zelf doen? Maar als de middenklasse zichzelf als maatstaf neemt, is ze blind voor de noden van degenen die het minder hebben getroffen. Laat bakfietsburgers dus vooral hun eigen initiatieven ontplooien, maar veroordeel degenen die afhankelijk zijn van professionele hulp en zorg niet tot de toevallige en wisselende aanwezigheid van vrijwilligers en mantelzorgers. Do It Yourself is een leuk motto voor hen die dat kunnen – maar niet als je je aan je eigen haren uit het moeras moet trekken.

Menno van der Veen is filosoof en jurist en werkt bij Tertium.

Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam